Historie deel 2

Gebroeders Jakob en Harm Hoetjer (1867-1869); Hoetjer en Koops (1870-1876); Koops(1876-1881); Harm Hoetjer 1876


Gebroeders Jakob en Harm Hoetjer (1867-1869)

Voor notaris G. Baart de la Faille in Veendam verschenen 8 juni 1867 'de heeren Jakob Gerrits Hoetjer en Harm Gerrits Hoetjer, de eerstgenoemde landgebruiker en de laatstgenoemde houthandelaar, beide wonende te Veendam, welke comparanten verklaarden overeengekomen te zijn om met elkaar een contract van vennootschap aan te gaan tot het uitoefenen van den hout en steenhandel en eener leerlooierij onder de FIRMA GEBROEDERS HOETJER... de vennootschap neemt een aanvang op 1 januarij 1867'

De leerlooierij en ten dele de hout en steenhandel wordt hier behandeld. Ten behoeve van de leerlooierij werd door de gebroeders op 3 mei 1867 van Hillechien Harms Schaap weduwe Harm Oomkes Roosje en consorten te Veendam "vier stukken land gelegen westzijde(landzijde) aan het (Boven)Westerdiep te Veendam, tezamen groot 1,5 bunder, voor 2000 gulden' aangekocht.
(Langs het Oosterdiep en het Westerdiep ligt aan de ene kant de verharde straatweg, de wegzijde, waaraan de woonhuizen, winkels, enz. en aan de andere kant de onverharde weg, de landzijde, waaraan aanvankelijk alleen de boerderijen en enkele huizen stonden.)

Het land lag ten zuiden van en grensde aan hun landbouwbedrijf. Jakob was daar landbouwer op en Harm deed de hout en steenhandel. Samen gingen zij de leerlooierij doen. Kort daarna werd met de bouw van de looierij begonnen. Op 8 februari 1868 was de stichting een feit. Er waren vier laafkuipen, vier kalkkuipen, een konfuitkuip, een schaafselkuip, een haarkuip en veertien looikuipen. De vennootschap werd op 31 december 1867 ontbonden om op 1 januari 1868 weer te worden opgericht, nu met drie vennoten, met namen Jakob en Harm Hoetjer en hun zwager Harm Addes Koops Pieterszoon, rustend scheepskapitein te Veendam.

Hoewel de leerlooierij aan voornoemde vennoten toebehoorde, de eigendom van  de grondpacht bezat nog altijd hun vader, Gerrit J. Hoetjer. Toen deze in 1867 overleed, werd de boedel van hem en zijn vrouw Geertje Schreuder gescheiden en gedeeld. Op 9 juni 186S vond dit plaats. Aan ieder van hen kwam toe een derde aandeel in "de eigendom of grondpacht, groot 10 gulden, gevestigd op vier stukjes land gelegen aan het (Boven)Westerdiep te Veendam, in gebruik bij Jakob Gerrits Hoetjer en mede-eigenaren, gewaardeerd op 250 gulden".

Door het uittreden van Jakob Hoetjer per 31 december 1869 werd tevens de firma Gebroeders Hoetjer ontbonden. Om hem zijn recht op een derde aandeel in de leerlooierij te kunnen uitkeren werd het onroerend goed te koop aangeboden. Op 10 december 1869 vond de verkoping plaats van "een gebouw, waarin thans de leerlooijerij wordt uitgeoefend met diens aanhoorigheden en twee kampen land aan het (Boven) Westerdiep landzijde te Veendam voor 9000 gulden". De in de looierij aanwezige gereedschappen werden voor 365 gulden 47,5 cent overgenomen. Kopers waren Harm Hoetjer en Harm Addes Koops. Jakob Hoetjer richtte vervolgens aan het Beneden Oesterdiep in Veendam een nieuwe leerlooierij op.

Hoetjer en Koops (1870-1876)

Op 16 december 1869 kwamen de overgebleven vennoten Harm Hoetjer, houthandelaar en Harm Addes Koops,negotiant overeen "een contract van vennootschap aan te gaan tot het uitoefenen van den hout en steenhandel en eener leerlooijerij onder de naam FIRMA HOETJER en KOOPS ... ingaande 1 januari 1870".

Harm Koops werd tijdens zijn bezoek aan Emmikhoven in de provincie Noord-Brabant, waar zijn zoon Pieter een school bezocht en met 'rode hond' ziek lag, ernstig ziek en is daar op 15 mei 1873 overleden. Zijn aandeel in de firma ging over op zijn vrouw de weduwe Aafien Koops-Hoetjer en kinderen Pieter, Gerrit, Jan en Geerdina Lammechina. Op grond van een artikel van het vennootschapsstatuut moest binnen vijf jaar na het overlijden van een der vennoten de boedelscheiding en deling van de nalatenschap plaatsvinden.

Bij onderhandse akte van december 1875 kwamen Harm Hoetjer en zijn zuster Aafien Koops-Hoetjer dan ook overeen de firma per 1 januari 1876 te ontbinden. Door de vele moeilijkheden is daaraan ruim drie jaar gewerkt.

Na de ontbinding werd op 23 december 1875 in Veendam een -door de Arrondissementsrechtbank van Winschoten bevolen openbare verkoop van het onroerend goed van de firma gehouden. De inventaris bleef er buiten. Op verzoek van "den heer Harm Hoetjer, negotiant te Veendam, mejufvrouw Aafien Gerrits Hoetjer, weduwe den heer Harm Addes Koops Pieterszoon, negotiante te Veendam voor zich en als moeder en wettige voogdesse over hare minderjarige kinderen ... in tegenwoordigheid voorts van den heer Harm Douwes Douwes, rustend scheepskapitein, mede te Veendam als toeziend voogd over de minderjarige kinderen Koops ... " werd de hout en steenhandel, bestaande uit een behuizing met erf en tuin aan het Boven Westerdiep wegzijde in Veendam benevens de behuizing of kantoor ten zuiden hiervan met de daaraan verbonden schuur, bergplaats en de daarbij staande houtschuur en enkele stukjes land voor 8000 gulden door Harm Hoetjer gekocht en de leerlooierij met een stukje land aan het Boven Westerdiep landzijde in Veendam voor 3600 gulden door Aafien Koops-Hoetjer.

Koops 1876-1881


Vanaf  1 januari 1876 nu de hout en steenhandel H. Hoetjer en de Leerlooierij Koops. Pas bij vonnis van de Rechtbank van Winschoten van 5 september 1877 werd gelast over te gaan tot de definitieve scheiding en deling en liquidatie in de firma Hoetjer en Koops. Daarvoor kwamen de houtkoper en leerlooier Harm Hoetjer en de leerlooierse Aafien Koops-Hoetjer met Harm Douwes in 1877 en 1878 in totaal acht maal in vergadering bijeen. De activa en passiva van de firma werden geïnventariseerd. In 1876 overleed Jan Koops en had Harm Hoetjer achter zijn hout en steenhandel een gebouw,bestemd voor een leerlooierij, gesticht. Hiertegen had de familie Koops bezwaren aangetekend.

Tijdens de vergadering van 2 november 1877 werd in aanwezigheid van de partijen, de notaris en de kantonrechter van Zuidbroek het besluit genomen "de onroerende goederen aan de ontbonden vennootschap Hoetjer en Koops toebehorende, daaronder mede begrepen de leerlooijerij gebouwd door Harm Hoetjer, zullen worden verkocht op 28 december aanstaande".

Voorts bracht Harm H. naar voren, dat hij nog een vordering van 2500 gulden "wegens de verbetering der goederen bij hem thans gebruikt door het daarop stichten van een leerlooijerij" op de ontbonden vennootschap had.

Aafien Koops gaf als antwoord, "dat er geen vordering ten laste van de ontbonden vennootschap bestaat...omdat Harm Hoetjer nimmer aan haar enige kennisgeving van het stichten eener leerlooijerij heeft gedaan; dat die leerlooijerij dus buiten haar toestemming is gesticht en daarin zijn verwerkt eene aan de vennootschap toebehoorende houtschuur; dat door het afbreken en verwerken van gezegde houtschuur de goederen in waarde zijn verminderd; dat zij zich wegens het wegnemen van die houtschuur haar recht om schadevergoeding vraagt...door ondertekening dit procesverbaal niet geacht wil worden met opgegeven vordering genoegen te nemen".

Kort voor de verkoop werd de vermogenswaarde van de firma vastgesteld. De activa had een waarde van ruim 30.000 gulden en de passiva van ruim 20.000 gulden, zodat er een positief saldo was van ruim 10.000 gulden.

Op 28 december 1877 werd wederom een bevolen openbare verkoop gehouden. De hout en steenhandel werd voor 8725 gulden door Heinrich Friedrich Georg Kaiser, fabrikant te Ommelanderwijk onder Veendam gekocht en de leerlooierij voor 2400 gulden door Aafien Koops-Hoetjer.

Laatstgenoemde prijs echter vond Harm Hoetjer te laag. Er volgden weer enkele vergaderingen. Op 15 maart 1878 bijvoorbeeld, kwam de leerlooierij van Harm H. weer ter sprake. Hij had daarin aan materialen en arbeidslonen een som van 2687 gulden en 32 cent geïnvesteerd. Dat bedrag zou nog ten laste van de ontbonden firma moeten worden gebracht. Aafien wees daarentegen nogmaals op het feit dat de nieuwe leerlooierij met materiaal van de ontbonden firma was gebouwd en als gevolg daarvan was het bezit van de firma in waarde gedaald. De partijen konden het niet eens worden.

Op 24 juni l879 werd een akte van dading ondertekend, waarin "de zwarigheid, die gerezen was over de wettigheid van de aankoop van vaste goederen door Aafien Koops-Hoetjer, leerlooijersche te Veendam op 28 december 1877 geheel is opgeheven en zij als wettig kopersche daarvan door Harm Hoetjer, zonder beroep te Veendam, is erkend". De eis van de vermeende vordering werd ingetrokken. Op 29 juli 1879 kwam de verdeling en liquidatie tot stand.

In 1880 is Harm Hoetjer naar Amerika vertrokken. Na aanvankelijk in Muskegon en Grand Rapids, beide in Michigan, gewoond te hebben, vestigde hij zich in 1897 als landbouwer in Lucas, Michigan. In 1906 overleed hij in Chicago. Met haar zonen Pieter en Gerrit zette Aafien Koops-Hoetjer de leerlooierij voort. Op 10 september 1881 overleed zij op 48-jarige leeftijd aan het Boven Westerdiep in Veendam. Aangezien de beide zonen vermoedelijk geen belangstelling voor de looierij hadden, werd het bedrijf dan ook per 31 december 1881 opgeheven. Het betekende het einde van de bijna 15 jaren oude leerlooierij van Koops, voorheen Hoetjer en Koops.

Op 15 november 1881 werd publiek verkocht "eene winkelbehuizing met erf en tuin aan het Boven Westerdiep wegzijde te Veendam". Koper werd voor 1670 gulden Johannes Wilko Wortelboer, scheepskapitein te Veendam; en "een gebouw, waarin leerlooijerij met erf en verder open grond, waarbij veertien looikuipen, zes kalkkuipen en twee laafkuipen aan het Boven Westerdiep landzijde te Veendam en een kampje land achter de leerlooijerij". Koper werd voor 985 gulden Jakob Reinders van Deest, scheepskapitein te Veendam.

Evenals hun oom Harm Hoetjer vertrokken Pieter en Gerrit Koops naar Amerika. Via Muskegon Michigan kwamen zij in 1887 in Chicago aan. Pieter stichtte daar in 1897 een mosterdfabriek, in gewijzigde vorm nog steeds bestaande en overleed aldaar in 1947. Gerrit verliet de stad en stierf in 1914 even buiten Chicago.

De voormalige leerlooierij van Koops kreeg een andere bestemming. Er werd een slagerij in ondergebracht. Dat is kennelijk geen succes geweest, want op 30 maart 1883 verkocht Jakob R. van Deest, nu koopman te Veendam "een gebouw, bevattende woning en schuur, waarin een slachterij, met erf en open grond aan het (Boven)Westerdiep landzijde te Veendam, groot 2 ares 90 centiares en een kampje land, groot 23 ares 45 centiares mede aldaar,onmiddellijk achter het vorige perceel ... aan Geert Jans Muller, landbouwer te Veendam in hoedanigheid van administreerend kerkvoogd van de Vrije Evangelische Gemeente te Veendam, voor en ten behoeve van gezegde Gemeente,voor 1460 gulden". 28) Het gebouw werd afgebroken en een kerk verrees er. De eerste predikant was dominee J. van Petegem. De kerk werd al gauw "Van Petegem's of Muller's kerkje"genoemd. Omstreeks 1960 is de kerk gesloopt, uitgezonderd de pastorie.

Drie inventarislijsten van de leerlooierij van Koops laten ons iets zien van het interieur. Stefanus, Schuring, en Hoetjer & Koops zullen ons iets dergelijks laten zien. Hier volgt de lijst: "Voorraad leder,schoenen,pantoffels, fournituren,stoffen en andere goederen. In de lederwinkel en op de zolder(aan het Boven Westerdiep wegzijde in Veendam):62 paar schoenen,houten en ijzeren pluggen, bottines,11 vellen fantasie chagrin, bezanen,6 vel geel pailleleder, 2 vel rose pailleleder, garen, 25 kg. zwart Javaleder, 11 kg. groen Javaleder, leestklare dames en heren bottines, 161 kg. zoolleder, 9 vellen vertakt leder, fournituren, afgepaste -pantoffels, pantoffelstof, leestklare laarsjes, veters, 105 kg. leder in het smeer, 9 varkensvelletjes. - In de looijerij en kuipen(aan het Boven Westerdiep landzijde in Veendam):3/4 ton bruine traan een halve ton blanke traan, 15 kg. houten pluggen,drie vatjes pik, 7 vel binnenzoolleder,60 vel overleder in het smeer, 20 halve vellen overleden, 15 kg. paardeleder, 3 grauwe paardeplaten, eenig grauw leder, een schoenmakersmachine, eenig leder, 44 leesten, eenig schoenmakersgereedschap, leestklare bottines, stukken leder, brandhout, partij keijen, twee steenen werktafels, eenige schaaf-,vleesch- en pulmessen, een maan- en blesseermes, 4 vaalmessen, krispelhout en streepijzer, vier schaafboomen en 2 houten paarden,vetpannen, borstels en potten,een oliekan met lampen, eenige kagchelpijpen, drie looitangen,een vork en schop, een balans met schalen en gewichten, 100 stuks overleder huidjes in de kuip nummer een, 84 stuks idem in de kuip nummer twee, 80 stuks idem in de kuip nummer drie, 150 stuks pinken, 9 ton bark." De totale waarde is op ruim 2800 gulden geschat. In het winkelvoorhuis waren nog de manufacturen met een getaxeerde waarde van 550 gulden.

Harm Hoetjer 1876

Nadat tot de ontbinding van de firma Hoetjer en Koops was besloten, heeft Harm Hoetjer getracht een nieuwe looierij op te richten. Uit enkele boedelscheidingsstukken is gebleken, dat deze er inderdaad is gekomen. Stukken, die betrekking op de Hinderwetvergunningsprocedure hebben, laten echter niets zien.

Op 10 april 1876 richtte Harm Hoetjer zich in een brief tot het Gemeentebestuur van Veendam, als volgt:

"dat hij voornemen is op te rigten eene leerlooijerij, dat hij onder overlegging van de stukken bedoeld bij art. 5 der wet van 2 junij 1875 (Staatsblad no 95) U Ed.  A. verzoekt tot die oprichting vergunning te willen verleenen. Q.F. H.Hoetjer".


Een "beschrijving en plattegrondteekening, behoorende bij het verzoek om vergunning tot oprigting eener leerlooijerij van H.Hoetjer" is bijgesloten.

Daarin lezen we: "Men bedoelt de oprigting van eene gewone leerlooijerij ... Het front van het gebouw zal komen achter de houtschuur  van de oprigter...Het op te rigten gebouw zal zijn: lang 15.50 meter, breed 6.80 meter ... Het front komt op 30 meter afstand van den openbaren weg ... Het locaal a is bestemd tot werkplaats, het is breed 6.80 meter en diep 5 meter ... De ruimten aangewezen door de letter b zijn 10 looikuipen, ieder 1.90 meter vierkant...De ruimten gemerkt c zijn bestemd tot laafkuipen en ieder groot 1.80 bij 1.40 meter ...

De vierkanten aangeduid door d zullen zijn kalkkuipen en een oppervlakte bekomen van 2 bij 1.5 meter ... De eene plaats geteekend e is de kuip, gewoonlijk genaamd confuit’ groot 2 bij 2 meter ... De kuip bedoeld bij letter f is de zoogenaamde vleeschkuip, zij zal meten 2 bij 2 meter ... En eindelijk de kuipen, geteekend g, zijn haarkuipen, ieder groot 2 bij 1.50 meter.

De spoelplaats ten dienste van de fabriek zal voorshands zijn in de Oude AE op omstreeks 90 meter van de looijerij".  Het Gemeentebestuur kwam met een verklaring, waarin het zei: ''dat zich binnen den afstand van tweehonderd meter van de perceelen geene gebouwen of localen bevinden als bij art. 5 der wet van den 2 junij 1875 ... Aldus afgegeven om te dienen overeenkomstig art.10 der evengenoemde wet".  Er werden schriftelijk door J.C. van Slooten, D. Douwes en Aafien Koops-Hoetjer bezwaarschriften ingediend.  J.C. van Slooten "als eigenaar van plusminus vier hectare .land tusschen diepen te Veendam" voerde aan, dat "als wordende het water in de sloden van de wiede, indien daarin de huiden worden afgespoeld, ondrinkbaar voor vee en paarden".

 

Harm Douwes en Aafien Koops-Hoetjer, "dat zij met hunne huizen, welke zij bewonen aan de noordzijde zijnde belendende naburen ... dat eene leerlooijerij in derzelver omgeving eene walgelijke stank verspreidt en onreinheden oplevert welke bij menig andere fabriek niet voorkomt ... dat ondergeteekenden wonen in eene vrij digt bevolkte wijk ... dat hunne perceelen door de daarstelling eener leerlooijerij in hunne nabijheid aanmerkelijk in waarde zullen verminderen ... dewijl niemand, tenzij daartoe gedwongen, zich gaat vestigen in de nabijheid van eene leerlooijerij om de eene of andere affaire uit te oefenen of stil te leven ... dat er buitendien voor de oprigting van bedoelde leerlooijerij eens niet zoo groote behoefte bestaat, vermits hij(Harm H.) deelhebber is geweest van eene op eenigen van de geprojecteerde staande leerlooijerij, waarvan hij zijn aandeel aan anderen heeft laten varen en hetwelk had kunnen behouden, welke looijerij staat op een niet onmiddellijk door huizen omgeven standpunt ... verzoeken, dat ongunstig omtrent de aangevraagde concessie moge worden gerapporteerd".

Harm H. trachtte schriftelijk de bezwaren te weerleggen, als volgt: "dat de weduwe 'Harm Koops wel degelijk een leerlooijerij uitoefent ... dat de weduwe Harm Koops het bedoelde perceel heeft verhuurd en zelf naast haar eigen leerlooijerij is gaan wonen ... dat eene leerlooijerij geen walgelijke stank oplevert of verspreidt en ook geen onreinheden ... dat mijns inziens de perceelen niet in waarde zullen verliezen... en er andere looijerijen ook in nog meer bevolkte wijken staan ... dat de aanvrager wel degelijk behoefte heeft aan een leerlooijerij om reden hij er geen bezit ... dat het kan zijn dat de weduwe Harm Koops bang is voor de concurrentie en dat Harm Douwes er belang bij kan hebben om reden hij toeziende voogd is over de minderjarige kinderen van de weduwe Harm Koops".

Op 3 mei 1876 werd in een openbare zitting van het Gemeentebestuur in het gemeentehuis van Veendam "gelegenheid gegeven tot het inbrengen van bezwaren tegen het oprigten van eene leerlooijerij, waartoe vergunning is verzocht door  Harm Hoetjer”

Gerard Berends Kolk als,eigenaar, Jakob Wolrich als huurder van landerijen en Jan Hetze als eigenaar voerden als bezwaar aan 'tegen het maken van eene spoelplaats ten dienste der leerlooierij in de nabijheid van de Oude AE op grond, dat het water daardoor ongeschikt zou worden  om door het vee in de omringende weiden te worden gebruikt”. Harm Hoetjer was ook ter zitting aanwezig.  Hij zei onder  meer "dat in gewone tijden van de Oude AE geen gebruik  kan worden gemaakt, daar er geen water genoeg is en dat het water er niet zoo erg door bedorven wordt ... dat de leerloojer Schuring het water van zijne looijerij evenzeer in de  Oude AE afvoert zonder dat dit bezwaar voor de belendende eigenaren oplevert'.

De klagers bleven volharden in hun bezwaren.  Daarop zei Harm H. af te zien van zijn plan een spoelplaats voor de leerlooijerij aan te leggen in de Oude AE,.  Hij zou een andere plaats gaan zoeken. Het Gemeentebestuur van Veendam nam vervolgens het besluit de vergunning tot het oprichten van een leerlooierij te weigeren.

Enige tijd later, op 2 juni 1876, diende Harm H. een nieuwe gewijzigde verzoek tot oprichting van een leerlooierij in, als volgt: "niet delende de bezwaren van uw college tegen de oprigting van eene leerlooijerij ... die bezwaren op te heffen door eene nieuwe aanvrage tot uw collegie te rigten. Ondergeteekende is daarom te rade geworden omdat hij overtuigd is, dat uw collegie gaarne de ontwikkeling van fabrieksnijverheid bevorderd.  De bezwaren weg te nemen door  eene andere plaats aan te wijzen, waarop hij voornemens is de leerlooijerij te bouwen". De looierij zou op nagenoeg  dezelfde plaats worden gebouwd, nu verder van de openbare weg en de huizen.  En vervolgt: "dat uw collegie doordrongen zal zijn van de waarheid dat zonder nijverheid eene 'maatschappij niet kan  bestaan.  En is dit in het algemeen waar, het is in het bijzonder  waar in deze  gemeente,            waarbij het verloopen van een hoofdtak van bestaan de scheepvaart, de fabrieksnijverheid geroepen is, dit gemis aan te vullen.  Gelukkig de ondernemingsgeest der ingezetenen dit gevoelt en die nieuwe bron van welvaren tracht te openen, doch niet te ontkennen is het, dat dit geschiedt te veel in eene rigting, waarvan het gevolg is, dat de bloei dezer gemeente teveel afhankelijk is van het gelukken of niet gelukken van die enkele tak van fabrieksnijverheid (de aardappelmeelfabrieken).  Hoe meer verscheidenheid in het fabrieksswezen des te vaster is de band, waarop het welvavan deze gemeente rust.  Dat uw collegie ook hiervan doordrongen is, hieraan twijfelt de ondergeteekende niet. Met vertrouwen verwacht dan hij eene gunstige beslissing dit verzoek".

Op 12 juni 1876 verzond Harm H. nog een brief naar het Gemeentebestuur, waarin “a eene naauwkeurige beschrijving  van de leerlooijerij ... hetgeen in die inrichting zal worden verrigt, vervaardigd of verzameld is duidelijk genoeg en betrfet enkel het looijen  ... terwijl van eenig ander beweegkracht dan gewone handenarbeid geen sprake is ... b eene plattegrondteekening... Ik vlei mij echter, dat na deze aanvulling mijne vernieuwde aanvraag ... deze inrigting in het belang der nijverheid een gunstig onthaal bij uw collegie zal mogen vinden".

De gebruikelijke procedure werd weer gevolgd.  Er waren wederom bezwaren van Harm Douwes en Aafien Koops-Hoetjer, bestaande uit de nabijheid van de leerlooierij aan hun percelen, de reuk en -nu ook het graven van een sloot of vijver.  Aafien voerde nog aan, dat de boedelscheiding en liquidatie van de ontbonden firma Hoetjer en Koops nog  moest plaatsvinden.

Harm Hoetjer weerlegde de bezwaren in zijn brief van 3 juli 1876.  Over de stank zei hij nog het volgende: "wat punt II betreft houdt kant nog wal, de (aardappel)meelfabrieken verspreiden reeds zooveel reuk en walgelijkheid, dat indien een leerlooijerij zulk(s) doet, het eerste veel nadeliger wordt geacht voor de gezondheid ... Zou men dan niet moeten denken aan iets anders dan bevordering van volksgezondheid de waarden der gebouwen verminderd?  Het ware te wenschen, dat in onze gemeente nog meer takken van nijverheid worden uitgeoefend, want industrie bevoordeelt een plaats maar schaadt haar niet".