Historie deel 3

J.G Hoetjer (1870-1909); Firma J.G. Hoetjer (1909-1940); Hoetjer N.V. (1940-1972); Hoetjer B.V. sinds 1972; Interview 1954.

Na het uittreden van Jakob Hoetjer uit de firma Hoetjer en Koops,waarin ondergebracht de hout en steenhandel, het landbouwbedrijf,de leerlooierij en de rederij, verhuisde hij van het Boven Westerdiep naar het Beneden Oosterdiep in Veendam. Daar had hij op 24 december 1869 van Jan Derks Hoen, kassier en commissionair in effecten te Hoogezand, aangekocht "een behuizing, met erf en open grond, staande en gelegen aan het (Beneden)Oosterdiep landszijde te Veendam, bekend op de kadastrale plans dier gemeente in sectie K nummers 157 huis groot drie roeden vijftig ellen en 157bis groot elf roeden veertig ellen, tezamen alzoo groot veertien roeden negentig ellen, zijnde vrije grond en vrij van alle hoe ook genaamde klaplusten... voor 1200 gulden".

Dat gedeelte van het Oosterdiep heette later de Veenkade, dan weer het Beneden Oosterdiep. Meer naar het centrum van Veendam was aan dezelfde kant de Havenkade en de Blankensteinkade. Aan de overkant van het diep wegzijde lag de Postweg. Sinds 1968 zijn de beide zijden van het gedempte Oosterdiep het Beneden Oosterdiep genaamd. Jan Hoen kocht bij onderhandse akte, gedateerd Veendam 31 mei 1862, van de scheepstimmerman Jan Pik en zijn vrouw Harmke Nieboer "eene behuizinge, geteekend letter D numero 337, met erf, tuin en scheepstimmerwerf, waarop eene langhelling en scheepstimmerschuur, staande en gelegen aan het (Beneden)Oosterdiep te Veendam, oostzijde(landzijde), in den perceelsgewijzen kadastralen ligger der gemeente Veendam te vinden in sectie K de Molen, numero 157 huis groot drie roe vijftig el, en numero 157bis, scheepstimmerwerf en bergplaats groot elf roe veertig el".

Op 3 oktober 1859 had Jan Pik ten behoeve van Jan Hoen,toen houthandelaar in Hoogezand, een hypotheek verleend op zijn eigendom wegens een afgesloten lening groot 1100 gulden. Aangezien naderhand Jan Pik zijn verplichtingen niet meer kon nakomen - de scheepsbouw was op zijn retour - moest hij zijn scheepswerf verkopen.

Op hun beurt hadden Jan Pik, scheepstimmerman te Veendam en "diens verloofde bruid" Harmke Jans Nieboer, zonder beroep wonende te Duurkenakker gemeente Muntendam op 8 april 1852 van Aaltje Douwes Burema, weduwe Roelf Jans Giezen, eigenaresse wonende te Muntendam en kinderen voor 2500 gulden gekocht "eene behuizinge gemerkt met het verpondingsnummer 337 met den tuin, de daarop staande scheepstimmerschuur, erf en grond aan het (Beneden)Oosterdiep landzijde te Veendam...sectie K numero 157 huis groot drie roeden vijftig ellen en numero 157bis scheepstimmerwerf en bergplaats groot elf roeden veertig ellen, zijnde vrije grond door Roelf Jans Giezen voor de firma R.J.Giezen en Zoon aangekocht".

Roelf J.Giezen was koopman en de eerste burgermeester van Muntendam(1812-1844). Zijn broer Tjark was koopman en de eerste burgemeester van Veendam (1813-1848).

J.G.Hoetjer 1870-1909

Op 24 december 1869 richtte JAKOB HOETJER zich in een brief "aan heeren Burgemeester en Wethouders van de gemeente Veendam" als volgt: "Geeft eerbiedig te kennen de ondergeteekende Jakob Gerrits Hoetjer, van beroep koopman, wonende te Veendam. Dat hij voornemens (is) op het j perceel sectie K no 157 en 157bis aan den oostkant van het (Beneden) Oosterdiep te Veendam eene leerlooierij op te rigten zich door deze tot U Edel Achtbaren wendt met verzoek dat het U Edel Achtbaren behage de tot die oprigting noodige vergunning te verleenen. 't Welke doende J.G.Hoetjer".


Eventuele bezwaren tegen die oprichting konden bij het College van B en W worden ingediend. Abraham Mulder Azn, landgebruiker te Veendam "als naastbelendende bewoner" had geen ander bezwaar dan "dat hij vreesde, dat het water in de wijk door de werkzaamheden van de looierij zou bederven en voor het vee onbruikbaar worden, dat hij uit de wijk moet drenken, wanneer het op stal is".

De weduwe Roelf Lammerts Mulder had hoegenaamd geen bezwaar." B en W van Veendam deelden bij besluit van maandag 3 januari 1870 aan Jakob Hoetjer het volgende mede: "Is goedgevonden te vergunnen om daar te stellen en uit te oefenen eene leerlooijerij onder voorwaarde van geene vellen en verdere objecten van de looijerij afkomstig in het diep te mogen spoelen". Aanvankelijk was de leerlooierij in de oude scheepstimmer- schuur ondergebracht. Er waren 7 kuipen en 1-3 knechten waren er werkzaam. In 1875 werd de schuur afgebroken.

Daarop en op de open plaats werd de leerlooierij met de winkel, kantoor, enzovoorts gesticht. In gewijzigde vorm kan men deze en de gebouwen 1895 en 1900 aan het huidige gedempte Beneden Oosterdiep 86-88 zien staan.



foto omstreeks 1900    









Omstreeks 1880 verrezen de huidenzouterij en een schuur (gebouw 1880). De schuur vormde het begin van de latere nieuwe leerlooierij, in fasen voltooid in 1920. Op het uiteinde van het looierij terrein aan de oostkant en langs de wijk naar het (latere) Spoordok was de huidenspoelplaats of huidengat. Deze was ruim twee meter diep en omringd door een dijk. In 1895 werd de oude scheepswerfwoning vervangen door het leerlooierijwoonhuis (gebouw 1895). Het staat op de hoek van het inmiddels gedempte Oosterdiep en de wijk naar de Spoorhaven.

De oude leerlooierij werd in 1900 uitgebreid door aanbouw. "Leerlooijer en drijfriemenfabrikant Jakob Gerrits Hoetjer geeft aan het Edel Achtbaar Bestuur der gemeente Veendam bescheiden te kennen, dat hij zijne fabriek te Veendam wenscht uit te breiden, dat binnen den afstand van 200 meter van de fabriek geene kerk, school of dergelijke inrichting voorkomt, dat hij U Ed. A. beleefd verzoekt tot de voorgenomen uitbreiding vergunning te verleenen. 't Welk doende J.G.Hoetjer, Veendam den 7 maart 1900. Uit de bij gesloten beschrijving kunnen we lezen, dat "de bestaande leerlooijerij en drijfriemenfabriek door bijbouw aan de westzijde zal worden uitgebreid. Het bij te bouwen gedeelte zal lang worden 10.50 meter en breed 4 meter en is bestemd de onderverdieping voor werkplaats ten dienste van de drijfriemenfabriek; de bovenverdieping voor drogerij ten dienste, van de leerlooijerij. Het gebouw wordt opgetrokken van steen en hout en gedekt met pannen. Stoomkracht' wordt gebezigd". Verder verklaarde Jakob, dat "zijne leerlooijerij en drijfriemenfabriek is eene inrichting in den zin der Veiligheidswet". ,

Gebouw 1875 en 1900 samen is lang 25.50 meter. Gebouw 1875 I is breed 13 meter, gebouw 1900 is breed 4 meter. Sinds de invoering van de Hinderwet in 1875 moeten nieuwe bedrijven, uitbreidingen, verbouwingen, enzovoorts daarvan aan die wet worden getoetst. Tijdens de zitting van B en W van 29 maart 1900 "in het gewone lokaal onzer vergaderingen in het gemeentehuis" kon men mondeling zijn bezwaar kenbaar maken. Er verschenen geen mensen, evenmin waren er schriftelijke bezwaren ingediend. Derhalve konden B en W bij besluit van 31 maart 1900 bekend maken: "goedgevonden den verzoeker en zijne rechtverkrijgenden vergunning te verleenen (tot) de uitbreiding en exploitatie van de drijfriemenfabriek". Gebouw 1880 werd in 1908 uitgebreid door aanbouw.

In 1914 vond daarin en daarbij enige verbouwing en uitbreiding plaats. Het terrein van de leerlooierij was nu nagenoeg volgebouwd met schuren en kuipen. Het perceel gelegen aan de noordzijde van de leerlooierij, bestaande uit "een behuizing met erf en tuin aan het (Beneden) Oosterdiep landzijde te Veendam, sectie K 156 groot 6 are 60 centiare en K 852 voor het geheel groot 4 are 60 centiare, gedeeltelijk voor 2 are 60 centiare, alzoo tezamen groot 9 are 20 centiare" werd op 4 april 1906 door Jakob Hoetjer van Folkert, Jan Frederik, Volkert Jan Arnold. en Hendrik Jan Wilkens, allen fabrikant en koopman te Veendam, tezamen enige vennoten van de Handelsvennootschap onder de firma K. en J. Wilkens te Veendam voor 2500 gulden aangekocht. Het onroerend goed van de leerlooierij had haar grootste omvang bereikt. Pas in 1966 zou het worden gehalveerd.

Op 5 april 1909 verkocht Jakob Hoetjer voor 10.000 gulden aan zijn beide zonen de leerlooiers en drijfriemenfabrikanten Gerrit en Jan Jakob Hoetjer, handelende onder de firma J.G.Hoetjer te Veendam "twee behuizingen met leerlooierij en verder getimmerten, erf en tuin aan het Beneden Oosterdiep landzijde te Veendam, sectie K 89J., 1170, 156 en 852 met uitzondering van die gedeelten van de kadastrale percelennummers 1170 en 891 respectievelijk groot 4 are 10 centiare en 2 are 70 centiare als bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank van Winschoten zijn onteigend ten behoeve van de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij te Zwolle en welke gedeelte bij die maatschappij bekend zijn onder grondnummers 70 en 70b, blijvende het bij deze acte verkochte alzo groot 22 are 80 centiare".

Als rentenier verhuisde Jakob Hoetjer naar de Blankensteinkade, alwaar hij in 1911 is overleden. Het jaar daarop overleed zijn vrouw Geesjen Bakker.

Firma J.G.Hoetjer 1909-1940

Even voor de hierboven plaatsgevonden verkoop en overdracht van de fabriek werd op 30 maart 1909 voor W.Boer, notaris te Veendam, een akte verleden, waarin "tusschen de heeren Gerrit Hoetjer en Jan Jakob Hoetjer, fabrikanten te Veendam (is) aangegaan eene vennootschap onder de FIRMA J.G.HOETJER, welke is gevestigd te Veendam en zich ten doel stelt het exploiteeren van eene leerlooierij en het fabriceeren van drijfriemen, het koopen van de daarvoor benoodigde grondstoffen en het verkoopen der verkregen producten, alsmede het drijven van handel in aanverwante artikelen. De vennootschap is aangegaan voor onbepaalden tijd, aangevangen 1 januari 1909". Jan Jakob betrok het woonhuis bij de leerlooierij. In 1910 trad hij in het huwelijk met Hillechiena Smit van hotel "de Nederlanden" in Wildervank.

Gerrit woonde sinds zijn huwelijk met Mensiena Prummel in 1902 tegenover de leer looierij aan de Postweg (Beneden)Oosterdiep wegzijde.

In tegenstelling tot de meeste (inmiddels verdwenen) leerlooierijen is die van J.G.Hoetjer zich vanaf de oprichting gaan toeleggen op de fabricage van lederen drijfriemen. Ook werden er wel andere lederen producten vervaardigd. Tot in de eerste helft van de 20ste eeuw werden er vele tentoonstellingen voor de handel en de nijverheid georganiseerd. Daarop konden fabrikanten en landbouwers nieuwe producten aanschouwen en de nieuwste ontwikkelingen op industrieel gebied zien. In de beginperiode van de leerlooierij heeft Jakob Hoetjer ook aan dergelijke tentoonstellingen meegedaan.

Op de tentoonstelling van 28 juli 1872 te Hoogezand werd door het bestuur van de tentoonstelling van Nijverheid en Landbouw "aan J.G.Hoetjer te Veendam een vereerend getuigschrift voor lederen drijfriemen afgegeeven". Dergelijke bekroningen,waarmee reclame werd gemaakt, waren er nog voor inzendingen in l891(Veendam), 1893(Winschoten), 1896 (Leeuwarden en Veendam), l898 (Musselkanaal), 1901 (Wildervank), 1902 (Hoogezand) en 1912 (Stadskanaal).

Na 1839 begonnen enkele particuliere lokale spoorwegmaatschappijen in Nederland met het aanleggen van spoorlijnen. Later werden zij ondergebracht bij de Nederlandse Spoorwegen. Vanuit Zwolle opereerde in de Groninger Veenkoloniën de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij NOLS. Omstreeks, 1900 begon zij met de aanleg van de spoorlijn Zuidbroek- Stadskanaal. Op enige honderden meters achter de leerlooierij van Hoetjer zou deze lijn komen. Ook zou er een spoorhaven of spoordok komen. De haven zou een aansluiting op twee bestaande wijken krijgen, waardoor er een verbinding met het Oosterdiep was. De ene zuidelijke wijk werd de latere Havenstraat, de andere noordelijke wijk liep ten zuiden van het gehele terrein van de looierij van Hoetjer. De waterwegen met de kaden of wallen moesten aan de NOLS komen, hetgeen bij gehele of gedeeltelijke onteigening is geschied. Voor de huidenspoelplaats 'van de looierij leverde dat de nodige problemen op. De plaats zou moeten worden verlegd. Ook voor Hoetjer was er onteigening.

Bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank van Winschoten gewezen op 3 maart 1909 tussen de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij te Zwolle als eiseres en Jakob Hoetjer, leerlooier te Veendam als gedaagde werd bepaald "dat ten behoeve van de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij zijn onteigend de voor den aanleg van den spoorweg van Stadskanaal naar Zuidbroek benoodigde gedeelten der percelen, op de kadastrale plans der gemeente Veendam bekend sectie K nummers 1170 en 891 - aan de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij de verplichting is opgelegd om aan den gedaagde ten behoeve van de exploitatie van zijn bedrijf in de leerlooierij, staande op de aan hem blijvende gedeelten van voormelde kadastrale perceelen, over te dragen een door de gemelde spoorwegmaatschappij te maken huidengat in open gemeenschap met de nevens de perceelen loopende wijk, op het perceel kadastraal bekend gemeente Veendam sectie K nummer 987, langs de geheele oostelijke grens va:.'1 het perceel gemeente Veendam sectie K nummer 891, breed op den waterspiegel zes meter bij Winschoter peil, diep een meter zeventig centimeter beneden Winschoter peil". Kort daarna begonnen de werkzaamheden aan het huidengat. Omringd door wallen is de oppervlakte 14 bij 20.50 meter of te wel 2 are 87 centiare.

Op 7 december 1910 droeg Cornelis Kossen, secretaris boekhouder van de Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij, wonende te Zwolle, als gemachtigde van Maximilian Hubert Breuning, directeur van de ;T.V. Noordooster Locaal Spoorwegmaatschappij,gevestigd te Zwolle, aldaar wonende,in tegenwoordigheid van notaris W.Boer in Veendam over aan Gerrit Hoetjer en Jan Jakob Hoetjer, fabrikanten wonende te Veendam,handelende onder de firma J.G. Hoetjer, aldaar, in volle en vrije eigendom van "een gedeelte van het perceel kadastraal bekend in sectie K nummer 987 der gemeente Veendam groot 2 are 87 centiare, het noordelijkste gedeelte lang 17 meter en breed 14 meter, het zuidelijkste gedeelte lang 3.5 meter en breed 14 meter (tezamen lang 20.50 meter en breed 14 meter), dienende tot huidengat ten behoeve van de leerlooierij, toebehorende aan Gerrit en Jan Jakob Hoetjer".

De NOLS overhandigde tevens een bedrag groot 600 gulden "deels voor de tijdens het hergraven der wijk aan hunne gebouwde eigendommen veroorzaakte schade en deels voor tegemoetkoming in de kosten van onderhoud van het huidengat". De overgedragen grond is door partijen op een waarde van 300 gulden geschat. Jakob Gerrits Hoetjer, thans zonder beroep wonende te Veendam, verklaarde de overdracht goed te keuren.. 1) Door het plaatsen van een electromotor van 3 P.K.,waarvoor door het College van B. en W. van Veendam op 4 december 1911 vergunning was verleend, deed de mechanisatie haar intrede in de leerlooierij.

Langzamerhand konden vele werkzaamheden, als vanouds handwerk, machinaal worden verricht. Achtereenvolgens werden nog geplaatst in 1912 een electromotor van 10 P.K. voor het drijven van een ontvleesmachine enz. en in 1913 een electromotor van 3 P.K., bestemd voor een riemenstrokensnijmachine, te plaatsen in de leerlooierij (gebouw 1900). Op 27 januari 1913 maakte het College van B en W bij besluit bekend, dat de firma J.G.Hoetjer vergunning was verleend om een stoomketel voor verwarming en droging in de leerlooierij te plaatsen (gebouw 1875 I). Op het besluit van het College van B en W van 24 februari 1914 kon het bestaande gebouw van de nieuwe leerlooierij worden uitgebreid door verbouw en bijbouw van een leerlooierij en leerdrogerij met een verdieping (gebouw 1880).

Het bedrijf bereikte zijn grootste omvang in 1920. In dat jaar werd,na goedkeuring door het College van B en W van Veendam van 7 april 1920, aan de noordzijde van het gebouw 1880 de looierjj uitgebreid door bijbouw van een gebouw, waarin te plaatsen de kuipen voor het wassen van huiden, enzovoorts. De oude huidenspoelplaats kon nu verdwijnen. Naast regenwater werd thans ook leidingwater gebruikt.

Met deze uitbreiding was de nieuwe leerlooierij, tussen 1880 en 1920 in fasen gebouwd en verbouwd, af. Er zijn nog plannen geweest de oude en nieuwe looierij met elkaar te verbinden. De economische situatie van de jaren dertig en de ontwikkelingen in de lederindustrie na 1950 verhinderden de uitvoering ervan. Bij akte van 21 oktober 1926 verklaarden Gerrit en Jan Jakob Hoetjer "met onderling goedvinden, te rekenen van den eersten october jongstleden te hebben ontbonden de handelsvennootschap onder de firma J..G.Hoetjer, gevestigd te Veendam". Voorts verklaarden zij uitdrukkelijk te zijn overeengekomen, "dat Jan Jakob Hoetjer de zaken de ontbonden vennootschap onder dezelfde firma, hetzij alleen, hetzij met anderen mag voortzetten, terwijl Gerrit Hoetjer zich verbindt nimmer een zaak te zullen uitoefenen hetzelfde doel beoogende als de ontbonden vennootschap, bij overtreding waarvan hij aan Jan Jakob Hoetjer of diens rechtverkrijgenden eene boete zal betalen groot 5000 gulden".

Met de liquidatie van de ontbonden firma werd Jan Jakob belast. De boeken en papieren kwamen onder zijn berusting. Alle activa en passiva werden hem toegescheiden onder de voorwaarde aan Gerrit Hoetjer wegens overbedeling een bedrag groot 55.000 gulden uit te keren. De onroerende en roerende goederen van de door Jan Jakob voortgezette leerlooierij bestonden uit: "twee behuizingen met schuur, werkplaats, huidengat, erven 611 tuin, met alle zich daarin bevindende machines, werktuigen en gereedschappen, staande en liggende aan het Beneden Oosterdiep, thans Veenkade te Veendam gelegen kadastraal in de gemeente Veendam bekend in sectie K nummers 156,1314,1312 en 1480 groot tezamen 25 are 67 centiare".

Gerrit kocht als rentenier enige jaren later de boerderij met opstrekkende land gelegen aan de zuidkant van de leerlooierij. Daar is hij op 98-jarige leeftijd overleden. Zijn vrouw Mensiena Prummel was hem in 1938 voorgegaan. Jan Jakob Hoetjer nu zette het bedrijf alleen voort. Zoals gebruikelijk sinds de oprichting in 1870 werkten er over het algemeen enkele knechten, in de tijd van de aardappelmeelcampagne was het aantal groter.

Toen het aantal aardappelmeelfabrieken weer afnam, verminderde navenant het aantal werknemers. Later kon Jan Jakob veelal met zijn drie zonen volstaan. In 1918 overleed zijn vrouw Hillechiena Smit ten gevolge van de 'Spaanse griep'. Hij bleef met vier minderjarige kinderen achter. In 1924 kocht hij een boerderij met opstrekkende land aan de, Blankensteinkade Beneden Oosterdiep landzijde in Veendam.
Ging het in de looierij minder goed dan warer er nog de inkomsten van de boerderij en omgekeerd. In 1940 trok Jan J.Hoetjer zich nagenoeg geheel uit de zaak terug. Hij bleef aandeelhouder en commissaris van de inmiddels opgerichte Hoetjer N.V. van 1940 tot 1959. Met zoon Berend, die aanvankelijk werkzaam was in de leerlooierij, deed hij het landbouwbedrijf. Op de leeftijd van 76 jaar is Jan Jakob Hoetjer op de boerderij overleden.

Hoetjer N.V. 1940-1972

Voor notaris A.J.Smith te Veendam verschenen op 9 september 1940 1.de heer Jan Jakob Hoetjer, leerlooier en drijfriemen,fabrikant, wonende te Veendam, niet hertrouwde weduwnaar van mevrouw Hillechiena Smit 2.de heer Jakob Gerrit Hoetjer, leerlooier en dri,jfriemenfabrikant, wonende aldaar; 3. de heer Berend Hoetjer, leerlooier en drijfriemenfa brikant, wonende aldaar; 4. de heer Gerrit HIoetjer, leerlooier en drijfriemenfabrikant, wonende aldaar; 5. mejuffrouw Roelfiene Berendiene Hoetjer, zonder beroep, wonende aldaar.

Compararanten verklaarden hierbij met elkander op te richten een Naamlooze Vennootschap onder de volgende bepalingen:

1. De vennootschap draagt de naam:' N.V. LEDER- en DRIJF- RIEMENFABRIEK v/h FIRMA J.G.HOETJER. Zij is gevestigd en houdt kantoor te Veendam en heeft ten doel het exploiteren van een lederfabriek en het fabriceren van drijfriemen, het koopen van de daarvoor benoodigde grondstoffen en het verkopen der verkregen producten, alsmede het drijven van handel in aanverwante artikelen.

2. De vennootschap vangt aan op heden en wordt aangegaan voor onbepàalden tijd. De zaken, welke door de vennootschap worden voortgezet, zullen geacht worden van 1 januari 1940 af te zijn gedreven voor rekening der vennootschap.

3. Het kapitaal der vennootschap bedraagt 75.000 gulden en is verdeeld in 75 aandeelen, elk groot een duizend gulden".
Jan Jakob Hoetjer nam deel in de vennootschap met 23 aandelen en de vier kinderen ieder met 13 aandelen. In de vennootschap' werd ingebracht het gezamenlijk aan hen toebehoorende volledige leerlooiersbedrijf, tot heden geëxploiteerd onder de firma J.G.Hoetjer, bestaande uit twee huizen met bijgebouwen, erven en tuin (aan de Veenkade 4-5-6) te Veendam.. samen groot 2.5.67 are; roerende lichamelijke goederen;contanten; saldo-postrekening; bankvorderingen en andere vorderingen; goodwill met eenige schulden, per saldo een waarde vertegenwoordigende Van 75.000 gulden...enzovoorts, enzovoorts". 

Bij besluit van het College van B. en W. van Veendam van 19 februari 1947 werd vergunning verleend om een Deutz dieselmotor van 35-38 P.K. te plaatsen. Deze kwam in de nieuwe leerlooierij te staan en diende voor de aandrijving van de bestaande machines (gebouw 1880).




Op 11 maart 1948 werd de N.V.Hoetjer vergunning verleend "tot uitbreiding van de drijfriemenfabriek door bijplaatsing van een stoomketel van acht atmospheren op het perceel plaatselijk bekend Veenkade 4..." (gebouw 1880) Na Wereldoorlog II werd de 'vanouds bekende lederendrijfriem langzamerhand van de markt verdrongen.



Daarvoor in de plaats kwamen de nylon- en rubberriemen. De vennootschap ging reeds in 1948 naast de bestaande handelsgoederen dan ook over op de handel in en verkoop van die nieuwe riemen. In deze tamelijk moeilijke periode, welke zich uitstrekte over de jaren vijftig, werd:besloten tot de productie van leder voor jassen en later voor schooltassen. De (Solex) bromfiets was in opkomst en de scholier werd geacht een solide school- of aktetas te bezitten.

In de aandeelhoudersvergadering van de vennootschap van 18 juli 1953 werd besloten om het bedrijf langzaam in te stellen op het looien van overleder en jassenleder en om met proeflooien te beginnen, voorlopig zonder aanschaffing van diverse machines. Mocht dit proeflooien succes hebben, dan zal op dit terrein verder gewerkt moeten worden en zal voor aankoop van machines te zijner tijd een groter bankcrediet moeten worden aangevraagd".

Een jaar later, op 3 september 1954, nam men het besluit "om met het experimenteren, om jassenleer te gaan looien, door te gaan tot een goed einde. De financieële resultaten lijken nog niet gunstig en zal het boekjaar 1954 nog een groter verlies brengen. De practische resultaten zijn van dien aard, dat het laatste gelooide leer er al tamelijk goed uitziet en het lijkt er op, dat ons bedrijf dit wel voor elkaar krijgt. Er zal nog veel moeten worden proef gedraaid. Alle aandeelhouders zijn het er over eens, dat de drijfriemen in het museum kunnen en de bakens dus verplaatst moeten worden".

Bij akte van 30 augustus 1956 verklaarde "de heer Jakob Gerrit Hoetjer,leerlooier en drijfriemenfabrikant, wonende te Veendam, ten deze handelende als enig directeur van de te Veendam gevestigde naamloze vennootschap: N.V. Leder- en Drijfriemenfabriek v/h Firma J.G.Hoetjer...dat in de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders der voormelde naamloze vennootschap gehouden te haren kantore te Veendam op 6 maart 1956 is besloten tot wijziging van haar statuten, in de gemelde vergadering, in welke vergadering blijkens het aan deze akte vastgehechte afschrift der presentielijst alle aandeelhouders - te weten de heren Jan Jakob-, Jakob Gerrit-, Berend- en Gerrit Hoetjer - aanwezig waren, werd besloten tot de navolgende wijzigingen". De voornaamste wijzigingen waren: de vennootschap veranderde haar naam in "HOETJER N.V." en de fabricage van lederkleding en lederwaren werd toegevoegd.
   

De toekomst zag er hoopvol uit, maar spoedig nam de concurrentie uit Azië toe en ook verscheen alras de goedkopere suèdejas op de markt. Binnen korte tijd werd de produktie van jassenleer dan ook gestaakt. Eveneens verdween de school tas uit het assortiment. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 5 mei 1960 werd besloten "de productie van lederen kleding tot een minimum te gaan beperken en deze in loondienst te laten aanmaken.

De verkoop van drijfriemen komt weer op gang en wordt intensiever bewerkt, speciaal de handel in perlon- en nylondrijfriemen". De drijfriem werd weer uit het museum gehaald!!

In een vergadering in 1962 werd vermeld "dat wordt doorgegaan met de handel in drijfriemen, welke gunstige resultaten oplevert". In die van 28 juni 1965 werd onder meer gezegd, dat "gezien de slechte resultaten in de lederindustrie, de afdeling lederwaren stop te zetten..

Het aanwezige personeel is reeds vertrokken. Alleen wordt verder gegaan met de afdeling drijfriemen en in die van 25 mei 1966 werd besloten "de productie van lederen tassen stop te zetten en op het gebied van V-snaren meer aandacht aan de verkoop te besteden". Sindsdien zijn de nylondrijfriemen en de V-snaren de belangrijkste handelsprodukten.

Op 1 september 1964 brandde de nieuwe leerlooierij volledig af (gebouw 1880).
   


Een plan tot herbouw werd in 1965 gemaakt, doch niet meer ten uitvoer gebracht. Het jaar daarop verloor de looierij ongeveer de helft van haar terrein. In verband met de uitbreiding van de woonkern van de gemeente Veendam in oostelijke richting, het zogenaamde plan Havenbuurt, moest de gemeente Veendam een stuk grond van Hoetjer N.V. aankopen.

Zij zag zich genoodzaakt onderhandelingen te beginnen met de directie van de vennootschap. Ongeveer de helft van het leerlooierijterrein zou de gemeente nodig hebben om de reeds gedeeltelijk aangelegde weg - thans de Koppiusstraat - te kunnen doortrekken en de woningen aan weerszijden ervan te kunnen bouwen. Het resultaat was, dat op 1 april 1966 Jakob Gerrit Hoetjer, fabrikant te Veendam en handelende voor Hoetjer N.V. te Veendam aan Albertus Nicolaas Nap, burgemeester van de gemeente Veendam en handelende voor deze gemeente, voor 15.000 gulden verkocht "een perceel grond met daarop aanwezige opstallen aan de Havenstraat te Veendam".

Op 11 oktober 1966 overleed Jakob Gerrit Hoetjer. Sinds de oprichting van Hoetjer N.V. in 1940 directeur. Onder zijn directie zijn de aandeelhoudster Roelfiene Berendiene Hoetjer in 1945 en de aandeelhouder' Berend Hoetjer in 1956 uit de vennootschap getreden. Berend stapte definitief over op de landbouw.

Gerrit Hoetjer, in 1954 tot commissaris van de vennootschap benoemd, werd na het overlijden van zijn broer als directeur ad interim benoemd. In 1967 werd hij tot directeur gekozen. Hij trad als commissaris af. Het aandelenpakket van wijlen Jakob Gerrit H. werd door zijn vrouw Niesje Hoetjer-van Vorden aan de nieuwe directeur en de N.V. overgedragen. Nog in 1967 werd Jan Jakob Hoetjer benoemd tot commlssaris van de vennootschap.

Hoetjer B.V. sinds 1972

In 1972 werd de naamloze vennooschap in een besloten vennootschap omgezet, een familie B.V.. De vennootschap bestaat thans uit "een behuizing met werkplaats, autoboxen, erf en tuin aan het Beneden Oosterdiep 86-88 te Veendam, groot 14 are 20 centiare". Op 28 december 1976 overleed Gerrit Hoetjer,vennootschaps directeur.

Zijn vrouw, Johanna S.Hoetjer-Vrieze, volgde hem op als directrice. In dat jaar werden tot commissaris van de vennootschap benoemd Lubbertus en Gerrit Hoetjer. Begin 1978 legde Johanna S.Hoetjer-Vrieze haar funktie neer en werd opgevolgd door haar zoon Gerrit Hoetjer (junior).Hij zelf trad als commissaris af en de oud-directrice werd in die funktie benoemd. Eind 1979 trok Johanna S. Hoetjer-Vrieze zich geheel terug uit het familiebedrijf. Het totale aandelenpakket droeg zij over aan de kinderen.


INTERVIEW 1954

Het leerlooierij verhaal sluiten we af met fragmenten uit een interview, dat door een journalist van het dagblad "de Noord-Ooster" in 1954 met de directeur Jakob Gerrit Hoetjer van Hoetjer N.V. werd gehouden.

Interview 1954. "...Er is in de loop van de jaren wel het een en ander veranderd in het leerlooiersvak, aldus de heer Hoetjer, een van de weinige leerlooiers die het noorden van ons land nog telt. Vooral ook is de manier van looien veranderd. Nieuwe looistoffen zijn ontdekt, die vlugger dan voorheen huiden kunnen prepareren tot leer.

En er is nog iets veranderd.ln vroegere jaren stonk een leerlooier uren in de wind. De nieuwe methoden hebben ook dat euvel doen verdwijnen. Het is meermalen gebeurd, al dus de heer Hoetjer, dat ik vroeger geld moest gaan wisselen in de winkel van de firma De Weerd, tegenover ons bedrijf. Wanneer ik daar dan op zaterdagmorgen tegen de tijd van het uitbetalen van de lonen kwam, werd steevast de opmerking gemaakt: "Help die meneer eerst maar even!" Wanneer men dat niet had gedaan zou het voor de klanten in de winkel niet te harden zijn geweest vanwege dat leerlooiersluchtje.

Omslachtig is de bewerking in vele gevallen voor het verkrijgen van een goed stukje leer. Dat begint met het ontharen van de huid in speciale kuipen, waarin zich zwavel en kalk bevinden. Vier dagen lang duurt dit proces, dat gevolgd wordt door de ontvlezing van de huid. Het "splitsen" van de huid komt hierna aan de beurt. In een speciale machine wordt de huid op ieder gewenste dikte gesplitst, tot op een halve millimeter nauwkeurig! Twee dagen lang wordt de huid daarna bewaard in enorme kuipen, waarin zich een zuuroplossing bevindt. Dit ter "ontkalking" van de huid. Tenslotte komt dan het looien en dit is in vele gevallen het langdurigste proces.

Leerlooiersopleiding in Waalwijk

Wanneer men synthetische looistoffen gebruikt, duurt het proces altijd nog zo'n maand of twee, maar wil men het ouderwets goed doen, namelijk met eikenschors als looimiddel, dan duurt het looien liefst anderhalf jaar! En ouderwets goed leer vergt nog heel wat meer geduld om het te verkrijgen. Op zolder bij de heer Hoetjer ligt een partijtje leer, waarmede men nu al vijftien jaar bezig is! Nog twee jaar moet het partijtje blijven liggen. Langzaam moet de partij namelijk "indrogen", zoals dat heet. Over twee jaar zal men het gaan gebruiken voor de vervaardiging van een drijfriem.

Talrijke looierijen telde het noorden. Geen schoenmaker was er bijna of hij was leerlooier ook. Dat alles is verdwenen. Tenminste in het noorden van ons land, maar in het zuiden is dat anders. In de strijd om het bestaan hebben talrijke looierijen tenslotte het loodje moeten leggen. Nieuwere methoden zijn gevonden en soms betere ook. De leerlooiers van de oude stempel konden al spoedig niet meer meekomen. Maar één ding is toch niet gelukt. Nimmer is de kwaliteit van het leer, zoals dat werd vervaardigd door de oudgedienden, overtroffen. Drijfriemen zijn in hoofdzaak gemaakt. Drijfriemen in velerlei dikte. Een zo'n riem bevat vele huiden. Daarin zijn zo ongeveer 75 huiden verwerkt.

Zo 'n riem bestaat namelijk uit een driedubbele laag, die niet alleen op elkaar gelijmd is, maar bovendien met riempjes werd doorvlochten. Kosten dezes bedragen zo'n kleine 3000 gulden. De industrie neemt tegenwoordig weinig drijfriemen meer af.

Andere machines zijn in gebruik gekomen en daardoor wordt het bestaan van vele leerlooiers bedreigd. Nu de werkgelegenheid in de leerlooierijen afneemt, voor wat betreft het maken van drijfriemen, is men gaan zoeken naar andere mogelijkheden en wegen.

    Leerbewerking is erg arbeidsintensief

Voor wat betreft de firma Hoetjer is men aan het experimenteren met het maken "van jassenleer..Kostbare machines zijn aangeschaft om deze omschakeling mogelijk te maken en thans staat dit bedrijf aan het begin van de productie van het nieuwe artikel.

Huiden bevatten, wanneer zij arriveren in een leerlooierij, aan de binnenzijde nog restanten vlees. Dit wordt in een speciale "ontvlezingsmachine" zeer nauwkeurig verwijderd en op deze wijze per huid een kilo of twee vlees verzameld. De afval wordt opgekocht door de lijmfabrieken. Niet alleen vervaardigt men er lijm van, doch ook gelatine. De gelatine wordt in een later stadium gebruikt in de puddingfabrieken.

Zo zit dat dus in elkaar..."


Jakob Gerrit Hoetjer
controleert hier het jassenleer